Stoeien in het park

2002

Bezetting: minimaal: 2 dames - 3 heren  + figuranten.

                 Maximaal: 10 dames - 11 heren + figuranten.

                Alle combinaties tussenin zijn eveneens mogelijk!.

 

Ergens in een stad ligt een park! Dat park dient om in te wandelen !  In dat park staan bomen! Die bomen dienen om veel wind te vangen ! Tussen die bomen staat een bank! Die bank dient om op te zitten ! Naast die bank staat een vuilnisbak! Die vuilnisbak dient om vuilnis in te gooien!...Een raar heerschap dropt een “vies boekje” in die vuilnisbak! Vieze boekjes dienen om…enfin… Tien duo’s nemen beurtelings plaats op de bank!...Ze vinden er het boekje!...Ieder heeft zo zijn mening!...Alles mag, niets is foei!

 

“Neem een bankje, een vuilbak en een bende enthousiaste acteurs, zorg voor een beetje publiek en je bent vertrokken!…Grootse dingen doen met weinig middelen, dat is de kunst! “

Samen met wriemelbedden en stukjes van andere auteurs omgegoten tot ZAP gespeeld bij TIJL TERNAT

 

Een creatie van Studio Sodico, Deurne in 2006

 

Verdere opvoeringen:

2006

*Met Hert En Ziel, Wijtschate

2008

*De Broeders, Begijnendijk

Personages

 

Boer — Boerin

Meneer Pastoor — God de vader (stem off   screan)

Madam Klottekes— Madam Lellebelle

Jean-Marie— Jean-Pol

Zuster Penitentia— Zuster Rebelina

Pater Potentius— Pater Frambosius

Zus—Broer

Julia—Romain

Annie—Gerda

Bomma—Bompa

Figuranten: Een “raar” meneerke, een dame met een hondje, een juffrouw in mini–rok, een jogger, een man met een lange mantel en een jong koppel.

Meerdere dubbelrollen mogelijk!

TAFEREEL 1

 

BOER EN BOERIN ZETTEN ZICH ONWENNIG OP HET BANKJE...ZE ZIJN OP HUN ZONDAGS GEKLEED, MAAR TOCH ALS BOERENMENSEN HERKENBAAR…

 

BOER:                       (snuift)...Dat stinkt hier!

BOERIN:                 (snuift)...Ja, dat stinkt hier!...Zouden dat die rozen zijn?

BOER:                       Ik peins het!...Mensen mensen, wat een pest!

BOERIN:                 Het kan nu ook zijn é, boer, dat wij “denken” dat die stinken!

BOER:                       ...Wàblieft?

BOERIN:                   Awel ja é boer ? Wij zijn die geur van ‘t stad niet gewoon, en   daardoor kan het zijn dat   wij “denken” dat dat hier stinkt, verstaat ge’t?

BOER:                        Niks van! Dat stinkt hier écht!...Geef mij maar de goeie, gezonde reuk van d’n boerenbuiten !

BOERIN:                 Ja, da’s wel waar! De goeie prikkelende geur van varkensmest en bietenpulp! Daar kan niks tegen op!

BOER:                       (kijkt rond)...’t Is hier wel stil zo in’t midden van’t stad é wijf?

BOERIN:                 Ah, maar dàt is normaal é, boer! We zitten in’t park!

BOER:                       ...”Park” ?

BOERIN:                 Ah ja! De plaats waar wij hier zitten, dat is eigenlijk d’n hof van de stadsmensen feitelijk zogezegd!

BOER:                       Allee gij ? Serieus ?

BOERIN:                 Vaneigest!

BOER:                     (kijkt keurend rond) ...Dat trekt hier in de verste verte niet op n’een hof é, wijf!...Allee, zie dat nu af! Overal hebben ze gras gezaaid! Nergens een beddeke wortelen of een beetje porei, neenee, allemaal gras! En als ze d’r dan nog een paar koebeesten zouden op laten grazen, dan heeft het tenminste nut, maar nee, gras, gras en nog ‘s gras! Uw ogen doen zeer van d’r naar te kijken!

BOERIN:                 Ja, da’s wel waar...Allemaal gras met hier en daar een struikske of een boomke...Triestig eigenlijk feitelijk!

BOER:                     En ‘t strafst van al is, dat g’op dat gras niet moogt oplopen! Precies of dat dat daar kapot gaat van gaan! Bij ons koersen de koeien daar d’n helen dag met hun zwaar poten over, die doen daar hun gevoeg op dat’t goeie gang gaat, en dat staat groenerder dan hier!...Als ge’t mij vraagt, dan mankeert er toch zo ‘t één en ‘t ander aan die stadsmensen!

BOERIN:                 Tja, stadsmensen, die peinzen anders é, boer...

BOER:                     Ja, tegen wie zegt ge’t é, wijf ?...Zeg, apropos, wanneer kwam die autobus weeral ?

BOERIN:                 Om vijf ure en zeven, boer!...Als we tegen vijf ure aan de statie zijn is’t goed genoeg!

BOER:                     Awel, ik zal nekeer zien welk uur dat w’al zijn!...(tuurt rond als een Indiaan)...Miljaardenondedju...Waar staat hier eigenlijk feitelijk die kerkentoren?...Dàt is potverdikke straf dat!...Allee, zie dat nu ‘s af! Allemaal betonnen blokken van wel duzend meters hoog! Hoe kunnen die stadsmensen nu weten welk uur dat ‘t is?

BOERIN:                 (kijkt op uurwerk)...Het is juist vier ure gepasseerd, boer !

BOER:                       Vier ure gepasseerd ?....Hoe weet gij dat ?

BOERIN:                 Ik zie dat op mijn horloge é, boer!

BOER:                       “Horloge” ?...Sinds wanneer hebt gij een horloge?

BOERIN:                 Enfin nu, boer! Ik heb dat toch gekregen bij onze jubilee...Van onze Lowie en ons Trees, weet ge dat niet meer ?

BOER:                     En waarom hebt gij dat ding dan aangedaan ? Subiet is’t nog kapot!

BOERIN:                 Tja, om te kunnen zien welk uur dat ‘t is é, boer!...Tenandere, ik vind, als ge naar’t stad gaat , dat ge d’r wel een beetje deftiger moogt voorkomen als thuis! Ge kunt nooit weten wie dat ge hier op’t lijf loopt! (haalt uit haar tas een busje parfum en spuit er kwistig mee)

BOER:                       Wat zijt gij nu aan’t doen ?...Is dat tegen de muggen?

BOERIN:                 Maar nee, boer! Dat is parfung!

BOER:                       ...”Watte” ?

BOERIN:                  “Parfung”!

BOER:                       En, waar dient dat voor ?

BOERIN:                 Om goed te ruiken!

BOER:                       ...Hoe, “om goed te ruiken” ?

BOERIN:                 Awel, als ge naar ‘t stad gaat, dan moet ge dat op u spuiten, en dan denken de stadsmensen dat ge ook van ‘t stad zijt, verstaat ge’t ?

BOER:                       En, waarom moeten die dan denken dat gij van’t stad zijt ?

BOERIN:                Enfin nu, boer, verstaat ge dat dan niet? Het staat toch véél chieker als de mensen peinzen dat ge van’t stad zijt, dan dat ze peinzen dat ge van d’n boerenbuiten komt ?

BOER:                       ...Waarom ?

BOERIN:                 Omdat dat veel meer standing geeft é, boer!

BOER:                       ...Zeg, wijf, neemt gij verkeerde medicamenten of zo ?

BOERIN:                 Maar nee! Ge moet gewoon met uwen tijd meegaan! (spuit weer kwistig met het flesje)

BOER:                     Verdomme, wijf! Hou nu toch ‘s op met die vuiligheid op u te spuiten! Ge stinkt gelijk als een Franse WC !

BOERIN:                 Dat is niet waar!

BOER:                     Dat is wél waar!...Zeg, en hoe komt gij tenandere aan die smeerlapperij?

BOERIN:                 Ik heb dat mogen lenen van Trees van onze Lowie!....Dat is chanel n° 5 ! Dat komt uit Parijs in Engeland!

BOER:                     Ik moet dat niet weten met uwen Angèl nummero vijf! Steek dat maar rap terug in uw kalbas! (snuffelt)...Bwah!...Nu stinkt ge écht gelijk als een oud wijf!

BOERIN:                 Och...Ge zijt gij gewoon jaloers!

BOER:                     Ja, da’s zeker dat! Waarom zou ik nu miljaardenondedju jaloers moeten zijn op uwe odeur? Deze morgen op d’n autobus zat het vol met van die stinkende kakmadammen! Elke keer als de bus over een boebelke reed dan viel de poeier van hunne smikkel! En dan elke keer terug dat spiegelke uit die sjacoch en hopla! Plamuren van ‘t kan niet meer! Dààr moet ge verdekke nogal jaloers op zijn !

BOERIN:                 Boer, ge zijt aan’t zagen!

BOER:                     Dat is ieder zijn gedacht!...(staat recht, begint rond te lopen, handen in de zakken)...Zeg, misschien is dat die vuilbak die zo stinkt! (snuffelt aan de vuilnisbak)...Tiens ? Wat is dàt voor iets ? (haalt het tijdschrift te voorschijn)

BOERIN:                 Enfin nu, boer, dat komt uit de vuilbak! Leg dat terug voor dat de mensen dat zien! Dat zijn geen manieren!

BOER:                     (bladert in het tijdschrift, z’n mond valt wijd open, wil zich op het bankje zetten...gaat er naast zitten...)

BOERIN:                 Oeioeioei , ocheren ochot, hebt g’u zeer gedaan boer?

BOER:                       Eu...Nee...Neenee...(zet zich op de bank)

BOERIN:                 Zeg, wat is’t ? Gij ziet nu zo bleek ?...Scheelt er iets?...Boer ?...

BOER:                     Nu moet ge ne keer zien wat er in dat boekske staat, wijf!...(geeft haar het tijdschrift, is duidelijk nog helemaal van de kaart)

BOERIN:                 (bladert in het tijdschrift, haar mond valt open)

BOER:                     (kuist zenuwachtig z’n zweet weg met een bolletjeszakdoek)... Amai, dat is hier ineens zo warm zeg!...Dat het warm is!...Wijf ?...

BOERIN:                 ...Wist gij dat zoiets bestond ?...Allee, ik bedoel, kunt gij begrijpen hoe dat mensen zo...enfin...oooh, dedju dedju zeg!... Kom dat tegen!

BOER:                       (kijkt voorzichtig mee)...

BOERIN:                 (trekt het tijdschrift weg) Niet kijken, boer! Dat is niet gezond voor ne mens van uwe leeftijd!

BOER:                       Hoe ? En gij moogt wél kijken ?

BOERIN:                 Ik ben ook twee jaar jonger é, boer!

BOER:                       Ja...Jaja...Die stadsmensen é...

BOERIN:                 Jaja...Die stadsmensen!... Zeg eu...zou ik dat niet moeten vertellen aan onze meneer Pastoor ?

BOER:                       Neeneenee, ik zou dat zeker niet doen!

BOERIN:                 En waarom niet ?

BOER:                     Hij gaat u niet geloven, wijf! Ge kent ‘m toch? ‘t Is een West-Vlaming, dus, zo koppig als een steenezel! (De West-Vlamingen nemen dan maar een Brabander, zo is de stand gelijk!)

BOERIN:                 Ja...Ja, da’s juist!

BOER:                       Allee kom...Smijt dat “ding” nu maar terug weg!

BOERIN:                 Zou ik dat niet meenemen om aan ons Trees en onze Lowie te laten zien ?

BOER:                     Ge zijt gij niet goed wijs zeker ? Geef dat hier! (neemt het tijdschrift bij een hoekje vast, kijkt schichtig rond en gooit het weer in de vuilnisbak)

 

De dame met het hondje komt net langs, ze heeft de handeling van de boer duidelijk gezien...

 

BOER:                       (schrikt) Ah...Goeiendag madam...

DAME:                      Viezerik!...Kom, Fifi!...(met opgeheven hoofd af)

BOER:                     Allee, nu peinst die madam dat ik...Allee zeg...Dat kan nu toch niet meer é wijf ?

BOERIN:                 Ja boer! Dat is ook altijd hetzelfde met u! Overal waar dat ik met u kom val ik in affronten!

BOER:                       Zeg, alstemblieft é, wijf! Ik heb toch niks misdaan ?

BOERIN:                 Ah nee zeker ? Binnenkort dan weet heel het dorp dat gij hier...enfin...ik mag er niet aan peinzen!

BOER:                       Dedju dedju dedju...Kom, we zijn weg! (staat op)

BOERIN:                 Jamaar, boer, ‘t is nog geenen tijd! D’n autobus is er nog bijlange niet!

BOER:                     Dan gaan we maar te voet naar huis! ‘t Is hier véél te gevaarlijk! (scharrelt haar bij de arm, gaan schichtig rondkijkend af…